Verlossing

leestijd: 20 minuten

1.

Een bovenhuis in Delft. Herfst. Ik sta in een pan linzensoep te roeren en de vraag wordt gesteld wat ik van de preek vond. De dominee had gesproken over wandelen met God en hoe we stapje voor stapje het nieuwe Jeruzalem kunnen bereiken. Een inspirerend beeld. Welk schepsel zou niet willen wandelen naast de Schepper?
De predikant lardeerde dit met dogma’s over de kruisdood en opstanding van Christus. Hoe Christus alle zonden op zich nam en voor ons verlossing mogelijk maakte. Leerstellingen die ik nooit begrepen heb. Ik sta in de soep te roeren en zeg dat ik me daar niets bij kan voorstellen. Ik voel de verbazing achter mijn rug. Die klinkt door in de vraag of dat dan in mijn katholieke opvoeding geen rol speelde, want dit is toch de kern van het christelijk geloof?
Ik weet het niet, ik moet het antwoord schuldig blijven.

2.

Met enige regelmaat zit ik voor een icoon waarop je ziet hoe Christus op de derde dag na zijn kruisiging opstaat uit de dood. Hij strekt zijn hand uit naar Adam, die aan zijn rechterzijde geknield, vanuit diens graf smekend zijn armen naar hem uitstrekt. Aan zijn linkerkant Eva. Hoe Christus Adam de hand reikt doet denken aan de schildering van het scheppingsverhaal op het plafond van de Sixtijnse kapel, het beroemde beeld dat de wijsvingers van God en Adam elkaar bijna raken. Schepping en verlossing – allebei een handreiking.
Adam, Eva en Christus worden omgeven door de usual suspects van engelen en heiligen van allerlei slag, in een rotsig landschap, met de gebroken poorten van de hel onder Christus’ voeten. Opvallend is een groot, ellipsvormig blauw vlak dat als achtergrond dient.

‘Kijk’, zei ooit de geniale J. – studievriend, talenvirtuoos, straatmuzikant en tenslotte uit het zicht verdwenen alcoholminnaar – ‘ik heb David en Goliath geschilderd; dat gele vlak achter de kleine David is de kracht waaruit hij put om de reus Goliath te verslaan.’ Of hij dat zelf verzonnen had, weet ik niet, maar het was een voor mij nieuw beeld dat mij altijd is bijgebleven, dat abstracte gele vlak, als symbool voor een onpeilbaar grote kracht. Een beslissende kracht, waarvoor David instrument was.

Het blauwe vlak waar Christus op de icoon voor staat is voor mij altijd belangrijker geweest dan de figuur van Christus. En van de figuur is voor mij de uitgestoken hand het meest kenmerkende geworden. De handreiking als kanaal voor grote liefde en kracht. Een kracht die niet afkomstig is van de mens Jezus, zoals die daar afgebeeld staat, maar van het blauwe vlak achter hem. Dat is de bron waaruit hij put om de mens op te heffen boven diens beperkingen.

Ik zoek het op om het zeker te weten. Klopt de intuïtie? Ja. Volgens de officiële iconografie is de blauwe mandorla symbool van de goddelijke heerlijkheid waarmee Christus is bekleed na zijn verrijzenis.

3.

Ik zit voor de icoon. Het blauwe vlak kent tijd noch plaats. Het is altijd aanwezig, het is er altijd geweest, net als de handreiking. Van wandelen kan ook altijd sprake zijn, al zit je in een hoekje van een stille kamer – ook daar kun je wandelen met God.

Hoe is deze ervaring te vangen in een verhaal? Het nadeel van verhalen is dat ze een begin en eind moeten hebben. Het begon zo, en toen, en vervolgens en tenslotte. Alsof de boodschap die moet worden overgedragen een logica in zich heeft van oorzaak en gevolg, van verleden tijd en heden, die als hoofdstukjes elkaar opvolgen. Alsof verleden en toekomst op afstand staan van elkaar. Zo laten we ons vangen in tijd als een lijn met begin en eind. Daarom corrigeren wij opgewonden kinderen als ze van de hak op de tak springen bij het vertellen over een bijzondere gebeurtenis. Eerst even rustig zitten en dan bij het begin beginnen, leren we ze. Want volwassenen vinden feiten belangrijker dan tomeloos tijdloos enthousiasme.
Op afbeeldingen kan het wel. Op middeleeuwse schilderijen kan alles tegelijk gebeuren. We zien in ordeloos perspectief begin en eind van een verhaal op één paneeltje. Dit voordeel van verbeelden boven vertellen heeft dan weer als nadeel,  dat alles een vorm moet krijgen. Wat in een verhaal nog een mysterieuze kracht kan zijn moet op een schilderij kleur en vorm krijgen. Daar danken we God als man met baard aan. En als een blauw vlak.

Tijd en plaats – menselijke beperkingen zijn het, omdat onze hersenen de werkelijkheid niet anders kunnen vatten.
Ons hart kan dat wel. Het bemint moeiteloos het blauw als iets van alle tijden, van alle gestalten en overal. Steeds opnieuw treedt Christus uit het blauw naar voren en reikt de hand.

4.

Ik roer in de linzensoep en zit om woorden verlegen.
Moet ik zeggen dat het voor katholieken geen rol speelt hoe iets precies zit? Ik aarzel, want ook katholieken kennen hun bibliotheken vol leerstellingen. Alleen, katholieken kennen die boeken niet zo goed als protestanten. Katholieken nemen het niet zo nauw. Misschien moet je dat ‘nauw’ letterlijk nemen; katholieken kennen een breder repertoire dan louter woorden. Gevoel en verbeelding spelen een grotere rol dan verstand. Kunst en rituelen spreken duidelijker taal dan het Woord. Op hun gemak kuieren katholieken met God.
Ik zeg zoiets, maar erg overtuigend klinkt het niet. Het klinkt alsof katholieken gewoon erg slordige gelovigen zijn die het zich met gezellige beelden gemakkelijk maken.

Het verlossende antwoord komt de volgende dag binnendwarrelen in de vorm van een mail met citaten van de benedictijner monnik/architect Hans van der Laan en een tekst van kardinaal Ratzinger, de latere paus Benedictus. Katholieker kun je het niet krijgen.
In bondig Latijn luidt het antwoord: ima summis. Dit komt uit een oud kerkelijk gezang:

“God heeft de vrede hersteld door in Zichzelf het laagste (ima) met het hoogste (summis) te verzoenen. Alleluia”.

Het zou ook uit dit vers kunnen komen:

“Het goddelijk licht schijnt voor de blinden; het licht waardoor Christus de onderwereld van zijn kracht berooft, de dood overwint en het hoogste (summis) met het laagste (ima) verzoent.”

Ima summis was Van der Laans motto, omdat hij met zijn voorwerpen voor dagelijks gebruik, zijn meubels en gebouwen uitdrukking wilde geven aan de relatie tussen het aardse en het goddelijke. “Zonder concrete orde, is er geen abstracte orde”, aldus Van der Laan. Door de orde in onze eigen maaksels kunnen we de orde van de schepping als geheel begrijpen. Al herscheppende leren we wat Scheppen is.
Voor Van der Laan was belangrijk dat uitwendige ‘dingen’ het inwendig leven kunnen voeden en onderhouden. Hij schrijft in een brief aan zijn zus:

“ De ‘dingen’ uitschakelen is een hiatus aanbrengen tussen God & de mensen & de grote weldaad van de menswording te niet doen.”

Voor de architect/monnik is de essentie van ons bestaan, dat ons werk een opgaande beweging naar God toe is, als antwoord op de oorspronkelijke neerdalende beweging van God bij het scheppen van de wereld. Van der Laan hoopte dat zijn werk een weerspiegeling zou zijn “van het hele heilsplan, de schepping met alle verlangens naar God die daarin gelegd zijn & de terugkeer naar God die al onze verlangens uitput.”

Als ik dit lees, zie ik Christus op de icoon, zijn handreiking, en Adam die zijn hele hebben en houden in de handen van Christus legt. Het blauw geeft het tafereel zijn kosmische dimensie. De kleine kringloop van een individueel mensenleven ingebed in de grote kringloop van de mensengeschiedenis. Een eeuwige kringloop van afdaling naar de wereld (ima) en terugkeer naar het hoogste (summis).

5.

Toen hij nog geen paus was, in 2000, schreef kardinaal Ratzinger een boek over liturgie, waarin deze gedachte van in elkaar grijpende kringlopen ook voorkomt. De liturgie, zo schrijft hij, viert telkens in de loop van een jaar, van Kerstmis via Pasen naar Hemelvaart en Pinksteren, de ‘historische’ menswording van Christus, de Zoon van God, 2000 jaar geleden in Palestina. In de liturgie dragen wij, door middel van beperkte concrete handelingen, ons hele bestaan weer op – ‘omhoog’ – aan God.  De liturgie, schrijft Ratzinger, heeft een kosmische dimensie die de hele schepping in haar gebed insluit.

Daarmee zijn we terug bij de mandorla – het blauwe vlak op de icoon. Op de icoon lijkt het vlak vormeloos, maar het is oorspronkelijk het snijvlak van twee cirkels, die twee werelden verbeelden: het goddelijke en het aardse. De mandorla – die niet toevallig de gestileerde vorm van een vagina heeft – verbindt onze kleine kringloop met de grootst mogelijke kosmische, goddelijke kringloop. 

6.

Ik zit voor de icoon en registreer hoe ik het plaatje inkleur. Met verbeeldingen, projecties, constructies. Met verhalen die meer of minder zijn vastgeklonken aan tijd, moment, persoon. Concrete dingen die we nodig hebben om het abstracte te kunnen ervaren. Het concrete is wáár maar beperkt. Het abstracte ontglipt ons zonder concrete voorstelling. Zeker als het abstracte goddelijk is, groter dan wij kunnen bevatten.
De islam verbiedt het om de profeet Mohammed af te beelden, laat staan om een afbeelding van God te maken. Daar zit wijsheid in. De islam brengt God dichterbij door de kwaliteiten van God – Allah – te bezingen. Hij is te benoemen met 99 schone namen. Hij is de Barmhartige, de Genadevolle, de Koning, de Bron van vrede, de Beschermer, de Schepper, de Onderhouder van de schepping, de Alwetende enzovoort enzovoort. Hij is ook de Verheffer. En dan zie ik de handreiking voor mij van de icoon.

Zo balanceer ik tussen woorden, beelden, het ongrijpbare, tussen het onbegrijpelijke en concrete hier en nu. In het Engelse veertiende-eeuwse mystieke geschrift ‘De wolk van niet-weten’ is allereerst de ‘wolk van vergeten’ aan de orde. We moeten al onze beperkte begrippen en beelden achter ons laten om in contact te kunnen komen met het goddelijke. Dat contact vindt plaats in een ‘wolk van niet-weten’. Wel te ervaren maar op geen enkele wijze uit te drukken. In ‘De duistere nacht’ gaat de zestiende-eeuwse Spaanse mysticus Jan van het Kruis daar nog dieper op in door te waarschuwen voor ‘ervaringen’. Al te gauw is de mens geneigd om de eerste de beste ‘zoete’ ervaring te beschouwen als de ultieme eenwording met God. Daarom moet wie God zoekt nog gelouterd worden in de donkere nacht waarin alle houvast de zoeker ontvalt. Pas dan kun je vallen in de hand van God.
Dat alles schemert in het blauwe vlak van de icoon. Daarin schuilt de verlossing, de handreiking.

7.

Als het blauwe vlak woordloos is, waarom schrijf ik dit dan op?
Voor mezelf, om het duidelijk te krijgen.
Maar waarom schrijf ik dit niet alleen voor mezelf maar ‘hardop’ voor anderen?
Misschien speelt ijdelheid hier een rol. Jan van het Kruis waarschuwt niet voor niets voor de zeven ondeugden die elke zoeker op het spirituele pad parten speelt: hoogmoed, hebzucht, wellust, toorn, gulzigheid, traagheid en afgunst.
Toch is het ook uit liefde dat ik schrijf, uit de kracht die alles naar eenheid voert. De kracht die zich manifesteert in de kleine kringloop tussen mensen, en in de grote kringloop tussen mens en God.
Liefde voert het water naar de wortel, het sap naar de bladeren en bloemen; liefde zorgt dat bomen vrucht dragen en dat de vogels die ervan eten het zaad verspreiden.
Misschien zijn deze woorden het water, misschien de vruchten, misschien zijn ze het getjilp van de vogels in de takken.
Ze zijn schakels in de kringloop van een vraag bij de soep, een handreiking van een icoon en een antwoord uit de wolk van niet-weten.

© Tom Maas 12/2012 – 4/2020

Deel dit:

Leave a Reply