Techniek maakt meer kapot dan je lief is

leestijd: 12 minuten

Er is niks mis met een mes, behalve in handen van iemand met slechte intenties. Dat is het gangbare beeld. Techniek is neutraal. Of een ding goed of slecht is hangt af van de toepassing. Maar is er ook niet het gezegde dat wie een hamer heeft overal spijkers ziet? Is techniek wel zo onschuldig? De vraag stellen suggereert natuurlijk al het antwoord – techniek is helemaal niet zo neutraal als wij denken. Integendeel, het is een ideologie die meer kapot maakt dan ons lief is.

Dit verhaal laat ik beginnen in de zeventiende eeuw bij Descartes bij diens uitspraak ‘ik denk, dus ik ben’. In de onstuimige tijd waarin hij leefde had hij zich afgevraagd waar hij nog enige zekerheid zou kunnen vinden. Alles is immers van tafel te vegen als nepnieuws en nepwetenschap, merkten ze toen al. En Descartes ging nog verder – ook wat je om je heen ziet zou wel eens niet meer kunnen zijn dan inbeelding. Zien anderen de wereld immers niet op een heel andere manier? Als je al dat onzekere weg zou laten, zo vroeg hij zich af, wat houd je dan over? Het denken erover. Mijn denken is mijn enige houvast. Het enige dat je met zekerheid kunt zeggen is: ik denk, dus ik besta.
Descartes was filosoof dus voor hem eindigde het niet hiermee. Nadat hij het hele huis tot op het skelet gestript had, bouwde hij om dat ‘ik denk, dus ik ben’ een compleet nieuw huis op. Filosofen rusten immers niet voor ze alles in een systeem gevat hebben. En daarmee begon hij een heel nieuw tijdperk, dat van het rationalisme en de moderniteit.
In die nieuwe tijd kwam denken – en niet langer geloven – centraal te staan. Plus het individuele ik dat denkt. De wereld werd onttoverd. Landkaarten veranderden van sprookjesachtige afbeeldingen vol heilige plaatsen en gevaarlijke zeeën in neutrale lengte- en breedtegraden. Een rivier was een rivier, of die ooit als heilig beschouwd was of niet. En zo werd alles geneutraliseerd. De wereld buiten het denken bestond voortaan louter nog uit neutrale objecten. Waarover jij en ik kunnen denken en rationele argumenten uitwisselen.
In die moderne wereld leven wij.

De mythe van moderniteit
Dit is natuurlijk niet echt zo gebeurd. Dit is een mythe. Een manier van vertellen die tegelijk waar en niet waar is, om iets te laten oplichten wat zich niet gemakkelijk in woorden laat vangen. Namelijk dat er ergens in ons bestaan een scheiding is opgetreden tussen ik en de rest, tussen het denken en alles daarbuiten, tussen geest en materie.
Alles buiten ons denkende ik is neutraal materiaal geworden dat onderzocht, beklopt en bewerkt kan worden. Ontdekkingsreizigers kunnen naar alle uithoeken van de kaart reizen, piramides open breken, de mooiste spullen mee naar huis nemen, zonder bang te hoeven zijn voor wraak van welke god dan ook. De gehele werkelijkheid buiten onze ratio is ruw materiaal dat bewerkt kan worden.

Dat ‘bewerken’ is sinds het begin van de moderniteit met groot enthousiasme beoefend en noemen we techniek. De resultaten waren – en zijn nog steeds – spectaculair. Techniek en technologie hebben zich in rap tempo over de hele wereld verspreid. Daarbij is technologie de wetenschap die aan techniek voorafgaat; techniek is de toepassing van de inzichten van de technologie. De wetenschappelijke ontdekking van de mogelijkheden van het atoom bijvoorbeeld, ging vooraf aan de toepassing in het technisch hoogstandje atoombom.

De wereld waarin alles gelijkelijk materie is om te bewerken, blijkt onuitputtelijk aan mogelijkheden. Er is altijd nog weer meer te bewerken dan we voor mogelijk hielden, en er zijn geen heilige huisjes of taboes meer die de beloften van techniek en technologie intomen. Alles is te bewerken, tot en met ons eigen lichaam waarin we naar hartenlust boren en zagen en dat we naar believen van nieuwe onderdelen voorzien. En dat geldt niet minder voor moeder aarde.
Als we alle problemen met techniek kunnen oplossen, waarom zouden we dat dan niet doen? Zijn er vervelende bijwerkingen? Dan is méér techniek het antwoord. De mogelijkheden zijn immers nog lang niet uitgeput.
Dat is de visionaire kracht van de technologische, moderne mythe waarin we leven: de belofte van eeuwigdurende verbetering.

De magie van rationaliteit
De filosoof Haroon Sheikh typeert dit als “rationele magie”, de moderne pendant van de aloude magie. Technologie belooft op faustiaanse wijze verbetering van het bestaan, mits je je er maar aan overgeeft. Zijn boek Embedding Technopolis is een onderzoek naar de relatie tussen moderniteit en traditie, omdat hij zich zorgen maakt over de vernietigende kracht van techniek. Want ja, bij de triomftocht van moderniteit moet helaas de kanttekening geplaatst worden dat het ‘bewerken’ altijd ook negatieve gevolgen heeft. De beloften worden op faustiaanse wijze vervuld; dat wil zeggen dat er altijd een prijs aan vast zit die uiteindelijk fataal blijkt. We zitten behoorlijk in onze maag met alle atoombommen die we gemaakt hebben. En zo is een hele waslijst te maken aan collateral damage – tot en met klimaatverandering.
Dat geldt ook op maatschappelijk gebied. Bij moderniteit behoort immers het idee van individualiteit. Ik denk. Sinds de Britse premier Thatcher in 1987 geheel in lijn met Descartes zei ‘There is no such thing as society’ is een ongekende mate van individualisering opgetreden. Vanaf het moment dat wij het eigen ik als middelpunt van de wereld beschouwen is de keerzijde een toenemende versplintering van de samenleving. Zoals technologie alles opsplitst in losse deeltjes en neutrale objecten, zo lijkt ook ons bestaan uiteen te vallen.
Bij de presentatie van zijn boek zei Sheikh daarover:
“ Moderniteit is een mentaliteit, een visionaire bevlogenheid. En die bezieling is te begrijpen vanuit het tovenaarsmotief. Voor Descartes ging het niet slechts om het vinden van de waarheid of het verkrijgen van een beter inzicht in de werkelijkheid, maar hij had ook een droom: dat de mens ‘meester en bezitter’ van de natuur zou worden.”

Technologie is een mentaliteit, om niet te zeggen een ideologie, waarbij ik me meester en bezitter acht, en in maatschappelijk opzicht autonoom. De technologische blik is dus helemaal niet neutraal, maar beladen met een heel specifieke opvatting van het bestaan. Net zoals wie een hamer heeft, overal spijkers ziet, ziet de moderne mens overal objecten en individuen die bewerkt kunnen worden.
Het is een ideologie die niet onschuldig is; technologie en techniek maken domweg heel veel kapot. Dat ligt niet aan de gebruiker, zoals altijd gesteld wordt, maar is inherent aan de technologische blik die ons gevangen houdt – de opvatting van de werkelijkheid waarin per definitie alles bewerkt moet worden, uit elkaar gehaald, gesloopt.
Ook in maatschappelijk opzicht viert het onderscheid maken hoogtij, met daarbij altijd de kans – beter gezegd: de onvermijdelijke logica – dat de verschillen tussen de onderscheiden individuen of groepen worden uitvergroot en tot conflicten leiden.
Het fatale is, dat het moet, omdat moderniteit en technologie ons altijd de belofte voor ogen houden van verbetering, een medicijn tegen alle kwalen, tot en met de vrolijke keuze om er bij een voltooid leven een eind aan te maken – we blijven tot in de dood trouw aan onze moderne individualiteit en ingebeelde autonomie.

Het onvermijdelijke geheel
Tot zover de onheilsprofetieën. En dan nu de onvermijdelijke en terechte vraag: is er dan een andere blik op de werkelijkheid mogelijk? Want als er geen andere keuze is, dan moeten we noodgedwongen maar roeien met de technologische riemen die we hebben.
Het antwoord ligt voor de hand. Er is een andere blik op de werkelijkheid mogelijk, door simpelweg verder te kijken dan onze neus lang is. Descartes – of misschien kunnen we beter zeggen ‘de mythologische Descartes in ons die denkt dat die een afgescheiden individu is’ – stopte te snel met denken. Er mag dan wel een ‘ik’ zijn en allerlei andere zaken in ons denken, fundamenteler nog is dat er één leven is waaruit dat allemaal voortkomt. ‘Ik denk’ is een manifestatie van leven, zoals het leven zich manifesteert in nog veel meer.

Voor de rationalisten onder ons: sinds de oerknal waaruit alles en iedereen is voortgekomen, is er spreekwoordelijk niets nieuws onder de zon. Alles zat er van begin af aan al in, en elk onderdeel dat zich nu manifesteert is daaraan schatplichtig. Ook mijn ‘ik denk’ is een manifestatie van dat ene kosmische leven, netzogoed als de lezer die dit leest.

Voor de meer poëtisch ingestelde geesten: zonder lucht zouden we nog geen vijf minuten overleven, zonder water hoogstens een paar dagen, zonder voedsel een paar weken, zonder zon geen voedsel, zonder kosmos geen zon. Als we dat alles niet koesteren, vergaat ons bestaan.

Of prozaïsch uitgedrukt: zonder ouders zouden we überhaupt niet bestaan en zonder de kennis die zij vergaard hebben zouden wij niks weten. We zijn zozeer met al onze vezels en kennis verbonden met onze omgeving , dat we zonder omgeving niet zouden bestaan. En ook hier geldt: als we dat niet koesteren, vergaan we.

Descartes had in zoverre gelijk, dat in het ene leven een eindeloze verscheidenheid aan manifestaties is te ontwaren. Maar dat wil niet zeggen dat die manifestaties op zich staan, en dat er niet méér is dan losse objecten, en dat die de ultieme werkelijkheid vormen. Integendeel. Niets bestaat zonder omgeving. Niets staat op zich. Niets is autonoom.

Dienen in plaats van heersen
Door nu niet met een technologische blik naar de verscheidenheid aan manifestaties te kijken en die voor de ultieme werkelijkheid te houden, maar door een ‘holistische’ bril te kijken naar de eenheid van alles, komt een heel andere werkelijkheid aan het licht.
‘Holistisch’ zet ik tussen aanhalingstekens omdat het een beladen begrip is. Maar ik zou zo gauw niet een ander simpel woord weten om aan te duiden dat in deze blik op de werkelijkheid het geheel voorop staat – het geheel waar alles onlosmakelijk deel van uitmaakt. Met als belangrijkste gegeven dat geen enkel deel kan bestaan zonder dat geheel. Wellicht komt het begrip ecologie ook in de buurt van dat besef, namelijk dat alles en iedereen van elkaar afhankelijk is.
Met dat inzicht komen we op een punt dat diametraal staat tegenover de opvatting van moderniteit waarin alles losse objecten zijn, materie om te bewerken, met individuen die autonoom zouden zijn. Het impliceert ook een andere houding. Als we beseffen dat we vergaan als we geen oog hebben voor de omgeving, komt niet voorop te staan dat we alles zouden kunnen bewerken – ja natuurlijk kan dat – maar fundamenteler is daarbij: draagt dat bij aan de omgeving? Als alles en iedereen van elkaar afhankelijk is, beïnvloedt alles wat we doen dat geheel. En dan zou logischerwijs de eerste vraag bij alles wat we doen moeten zijn: wat betekent dit voor het geheel?

De focus op de deelbaarheid maakt plaats voor een focus op de samenhang. De nadruk valt niet langer op onderdelen alsof die voor ons zijn uitgestald om te bewerken, maar op het leven als één geheel, met de vraag hoe we dat het beste kunnen dienen. Dus niet hoe we onszelf het beste kunnen dienen, maar het geheel. Bewerken en heersen maakt plaats voor koesteren en verzorgen. De leidraad bij ons handelen wordt dan: hoe kunnen we zorgen voor een zo welvarend mogelijk geheel? Want dat zal alle delen van het geheel ten goede komen.

Dat we materie blijven bewerken is onvermijdelijk voor ons aardse bestaan. Maar het gaat erom dit in een radicaal ander perspectief te doen. En dat maakt verschil. Een voorbeeld kan dat verduidelijken:
Boerenland is in Nederland qua bodemleven nu de armste grond. Moet je nagaan: wat ooit de beste grond was is nu de armste! Het is eenzijdig bewerkt en uitgeput en wordt met kunstmatige middelen – technische hoogstandjes – vruchtbaar gemaakt voor specifiek, beperkt gebruik. Met middelen die op hun beurt weer schadelijke neveneffecten hebben. Als we oog zouden hebben voor het geheel, zouden we het land natuurlijk zo bewerken dat het vruchtbaar blijft of juist nog rijker wordt in biodiversiteit. We zouden de biodiversiteit en vruchtbaarheid dienen, koesteren, beschermen, verrijken, omdat we weten dat ons bestaan en heel onze leefwereld ervan afhankelijk is. We zouden beseffen dat iets een ‘neveneffect’ noemen, het niet minder schadelijk maakt.

Gevangen in angst
De aarde is niet iets om te bewerken en er zoveel mogelijk aan te onttrekken, maar om te dienen en te onderhouden. Dat is gemakkelijk gezegd en geschreven als je geen boer bent. Hoe valt de balans uit als je het principe toepast op eigen leven – hoeveel onttrek ik aan het leven, hoeveel dien ik en geef ik?
Verandering zal heel moeilijk zijn. Vergelijk het met het stockholm-syndroom: we zitten gevangen in moderniteit, en we zijn onze cipiers gaan liefhebben. Hoe verwoestend moeten de gevolgen zijn voordat we veranderen? Op mondiale schaal is er de benauwenis van massavernietigingswapens en grootschalige veranderingen in klimaat en biodiversiteit. Op de schaal van gemeenschappen is de steeds dringender vraag, wat ons eigenlijk bij elkaar houdt. En op individueel niveau gezien zijn stress en eenzaamheid de grote problemen van deze tijd. We voelen ons in toenemende mate kwetsbaar voor ‘anderen’ en gaan dus bewapenen en muren bouwen.
Gezien het succes van populisten kun je stellen dat mensen in toenemende mate gedesillusioneerd zijn geraakt. Maar eigenlijk zeggen we daarmee dat mensen in toenemende mate merken dat de zekerheden illusies zijn – dat de magie van de moderniteit uitgewerkt raakt. Steeds indringender worden dan de ‘levensvragen’ naar de waarde van het leven. Als alles ruw materiaal is, wat is leven dan méér waard dan ander ruw materiaal?
Vermoedelijk hebben we nog een heel stuk te gaan, voordat het besef van zinloosheid zo wurgend is geworden en zo dicht op onze eigen huid is gekomen, dat we onze moderne ‘zekerheden’ los durven laten. Dan ontstaat er ruimte om van het technologische perspectief te gaan naar naar een perspectief dat minder kapot maakt dan ons lief is. Maar het moeilijkste is waarschijnlijk dat we onszelf binnenstebuiten moeten keren – we zijn zo doordesemd van het idee dat we een individu zijn, dat het bijkans onmogelijk is geworden om onszelf ánders te zien, laat staan om onszelf te ervaren als één met alle leven.

Probeer het maar
Ga maar bij jezelf na, hoe je keuzes maakt. Staat niet altijd het (welbegrepen) eigenbelang op de eerste plaats? Ben je niet allereerst zelf centrum van het universum?
Doe een gedachte-experiment:
Als je het idee ‘individualiteit’ niet zou kennen, als eigenbelang je volkomen vreemd was en altijd de gemeenschap of de kosmos centraal zou staan (en het welbevinden daarvan), hoe zou je dan keuzes maken? Zouden dat andere keuzes zijn?
Wat helpt als richtsnoer is de natuurethiek van de Amerikaanse milieuactivist avant la lettre Aldo Leopold (1887 – 1948): ‘Iets is goed als het gericht is op het behouden van de samenhang, stabiliteit en schoonheid van de leefgemeenschap; het is verkeerd als het ergens anders op is gericht.
Goed en fout klinkt te zwart/wit – maar de teneur is duidelijk. Het is een wereld van verschil of we de wereld zien als materiaal om te bewerken, of als we leven en werken in het besef dat alles heilig is, dat wil zeggen kostbaar deel van één geheel.

Wat zouden we doen, als we ons zelf alleen maar konden zien als deel van het geheel, als dus elke notie van individualiteit verdwenen was? Het begrip ‘bewerken’ zou dan niet bestaan omdat dat al suggereert dat er afgescheiden objecten zijn, buiten ons. Voorop zouden begrippen komen te staan als dienen, helpen, ondersteunen, verrijken, geven – begrippen waarin al veel meer interactie zit. Geven veronderstelt een ontvanger en een afgestemde manier van doen (anders noemen we het opdringen, weggooien). In zo’n afstemming op het geheel en alle delen komen totaal andere behoeften en manieren van doen centraal te staan.
De begrippen ‘individualiteit’, ‘object’, ‘techniek’ en ‘bewerken’ – beter gezegd de levenshouding die achter die begrippen schuil gaat – staan als een barrière in de weg om die staat van afstemming te bereiken. En die levenshouding maakt meer kapot dan ons lief is.

© Tom Maas 4/2020

Deel dit:

Leave a Reply