Op zoek naar vrijheid

leestijd: 10 minuten

Als een neuroloog zegt dat ons brein al ons doen en laten bepaalt, bekruipt  mij een Droste-gevoel. Want zo’n uitspraak is dus ook bepaald door zijn brein. En wat zich daarvóór heeft afgespeeld ook. Waar kan ik dan ooit de eerste oorzaak vinden die mij aanzette tot het typen van deze tekst? Ook bekruipt mij het onaangename gevoel dat tussen al die oorzaken en gevolgen geen vrijheid meer is te vinden.
Er zijn twee ontsnappingsroutes uit dit mechanistische wereldbeeld dat tegenwoordig sterk overheerst. De eerste is tegen de neuroloog zeggen dat die terug moet in zijn hok– hij heeft verstand van hersenen maar niet van filosofie en kennistheorie. De tweede is onderzoeken hoe vrijheid zich verhoudt tot oorzaak en gevolg, de belangrijkste ingrediënten van ons mechanistische wereldbeeld. Dat onderzoek heeft de Leidse filosoof Gerard Visser voor ons gedaan in zijn boek ‘Oorsprong & vrijheid – en ik werd die ik was gebleven’.[1] Zijn bevindingen graven diep, zoals een filosoof betaamt; ik zal proberen ze in eigen woorden door te geven.

Wij kunnen bijna niet meer denken buiten kaders van oorzaak en gevolg. Iets komt toch niet zomaar uit de lucht vallen? Tegelijk, en dat maakt het natuurlijk fascinerend, doen wij alsof we alle vrijheid van de wereld hebben; of daar minstens recht op hebben. Meer dan ooit eisen we mateloos vrijheid op voor onszelf, en zien die hoogstens begrensd omdat we anderen niet behoren te schaden. Als we dat van dichterbij bekijken, schuilt daar meestal toch nog het mechanistisch wereldbeeld achter van oorzaak en gevolg, alleen in geïndividualiseerde vorm. Het individu is de verantwoordelijke veroorzaker van zijn eigen lief en leed. Uitzondering vormen natuurrampen en andere omstandigheden die leed berokkenen. Die vinden we dan ook onrechtvaardig, onverdiend –ze treden buiten de orde die wij veronderstellen.

Vele oorzaken
Aristoteles zag het in groter perspectief. In zijn visie kent elke beweging weliswaar een bron waaruit die beweging voortkomt, dus een ‘werkoorzaak’, maar ook een doel dat aantrekkingskracht uitoefent zodat de ontwikkeling in een bepaalde richting gaat, een ‘doeloorzaak’. Het zaadje wordt een boom en niet iets willekeurigs. Je zou wat mensen betreft kunnen zeggen: wat is vrijheid waard als er niets aantrekkelijks is om voor te leven?
Als wij iets maken, en misschien geldt dat tot op zekere hoogte ook wel voor het ‘maken’ van ons leven, ziet Aristoteles vier ‘oorzaken’ die meespelen – heel wat meer dan ons eendimensionale oorzaak-gevolg. De maker is de ‘werkoorzaak’ die iets in gang zet. En waar het maaksel voor dient, het doel, is de ‘doeloorzaak’. Maar er is ook materiaal nodig, want zonder materiaal is immers niets mogelijk. Het materiaal is de ‘stofoorzaak: de aard van het materiaal bepaalt mede wat en hoe iets wordt. Bovendien is er een vorm nodig; we kneden de klei net zo lang tot er een vorm uit komt die ons doel kan dienen. Ook hier geldt: zonder vorm is er niets en de idee van de vorm bepaalt mede wat en hoe iets wordt. Dat is de ‘vormoorzaak’.
Vrijheid is in deze voorstelling van zaken dus een samenspel van allerlei factoren. Als ons voornemen, het materiaal, de vorm en het resultaat samensmelten, valt er – voor dat moment – niets meer te wensen. Dan zijn wij vrij.

Maar hoe voelt het?
Tot zover de theorie. Maar voelen wij ons ook inderdaad vrij? Gerard Visser schrijft: “Vrijheid van keuze hoeft helemaal niet vrij te zijn. Ieder kent de ervaring dat je jezelf vrij en in je element voelt, tot je voor een keuze komt te staan. Het huidige leven raakt verstopt van keuzemomenten waar niemand om vraagt.” Daarmee komt iets heel nieuws in het vizier, naast de oorzaken die Aristoteles onderscheidde. Er speelt ook een innerlijke noodzaak mee om iets te doen of te laten – intuïtie, gevoel en het existentiële besef van wat ons eigen leven zin geeft, zijn minstens zo bepalend. Dus niet alleen de verhouding met de buitenwereld maar ook die met ons zelf bepaalt onze vrijheid.
Met die notie zijn we van Aristoteles pardoes beland in de negentiende eeuw. Visser haalt in zijn boekje Schelling aan die beschrijft hoe misplaatst wij ons soms kunnen voelen; alsof we vervreemd zijn van onszelf, weggedreven uit het centrum van onszelf, en hoe we tegelijkertijd terugverlangen naar dat centrum en we er door aangetrokken worden. We willen onszelf worden, zoals de paradox luidt – alsof we ooit iets anders dan onszelf kunnen zijn. Na Schelling kwam de radicalere Nietzsche. Die komt uit op het punt dat werkelijke vrijheid alleen is weggelegd voor wie de totale verantwoordelijkheid voor zichzelf neemt. De eigenlijke vrijheid is die van het spontane spelende kind. En op latere leeftijd, als wij kunnen reflecteren op ons leven, is het volledig aanvaarden van ons lot de voorwaarde voor vrijheid. Het kunnen laten gebeuren, zoals Gerard Visser het noemt, dat is de kern van vrijheid.

Een tussenstap: redelijkheid
Dat negentiende-eeuwse inzicht was voorafgegaan door filosofen die weliswaar ook oog hadden voor individuele aspecten van vrijheid maar zich vooralsnog meer door hun verstand dan door hun gevoel lieten leiden, zoals Kant. Ook Kant keerde de blik naar binnen, maar deed dat in zekere zin nog met de rationaliteit die opgeld deed sinds Descartes – ‘ik denk dus ik ben’– en de Verlichting. Bij Kant speelt het geweten een belangrijke rol. Maar zijn benadering is niet gericht op intuïtie en gevoel maar op redelijkheid en goede wil. We moeten de stem van het geweten volgen en tegelijk de algemene ‘zedelijkheid’ dienen – zeg maar, de maatschappelijke orde. Wat we voor onszelf als uitgangspunt nemen, als norm of rechtvaardiging, dat zou zó moeten zijn dat het ook een algemene norm zou kunnen zijn. In deze visie komt het ethische facet van vrijheid sterk naar voren.

Drie sferen van vrijheid
Zo zijn drie sferen ontstaan waarin vrijheid aan de orde is, op steeds een andere manier. De natuurkundige sfeer waarin oorzaak en gevolg overheerst. Die herkennen we in het recht op en neer interpreteren van hersenfuncties. De spanning daarin zit tussen determinisme en keuzevrijheid. Daarnaast is er de ethische sfeer waarin het normatieve overheerst. De spanning daarin zit tussen mijn vrijheid – mijn geweten en goede wil – en het algemeen welbevinden. De derde sfeer is de existentiële, de sfeer van innerlijke vrijheid waarin beleving en zelfbepaling overheersen, en waar je ook religieuze overtuigingen onder kunt scharen. De spanning daarin zit tussen het kenbare en intuïtieve, tussen het objectieve en subjectieve.
Gerard Visser constateert dat momenteel in elk van die sferen een debat over vrijheid aan de orde is, maar dat er nauwelijks uitwisseling is. Ze zitten in zichzelf gevangen.

De betekenis van ‘mogelijkheid’
De uitweg uit die gevangenschap is wellicht te vinden als we bedenken dat er aan deze hele discussie nog iets vooraf gaat. Bij alle drie de sferen is essentieel dat iets mogelijk is. Dat er mogelijkheden zijn – dat lijkt zo’n open deur dat je er eerst niet bij stilstaat. Maar dat er zoiets bestaat als ‘mogelijkheid’, is heel fundamenteel. Er is speelruimte om vraagtekens te zetten, bijvoorbeeld bij de rol van het brein, maar net zo goed bij de zin van ons leven, of waar we nu eens trek in hebben. De mogelijkheid noemde de filosoof Kierkegaard ‘de zwaarste van alle categorieën’. Gerard Visser noemt het ‘de werkelijkheid van de vrijheid’. Voor Aristoteles was vrijheid gelegen in kennis van de mogelijkheden, na Descartes is vrijheid de macht van het planmatig verwerkelijken van mogelijkheden, voor Kierkegaard tenslotte is vrijheid ‘de mogelijkheid tot mogelijkheden’. Het is met die gedachtensprong alsof je ineens een luik opent en ziet dat deze hele discussie over vrijheid in het luchtledige zweeft boven een grenzeloze ruimte. Een nog onbepaalde leegte maar dan wel vol potentie. Wat is er al niet mogelijk?! Ongetwijfeld meer dan we weten. Het onkenbare dient zich hier aan; ook die categorie speelt mee bij vrijheid.

“Vrijheid manifesteert zich dan niet pas in kennis of het planmatig verwerkelijken, maar in het kunnen openbreken en vernieuwen van mogelijkheden”, vat Gerard Visser het samen. Die formulering suggereert dat wij actief en doelgericht moeten zijn: breek open! vernieuw! Het tegendeel is echter het geval. Om toegang te krijgen tot het nog ongekende en onbepaalde moeten wij juist zoveel als kan al onze kennis en bepaaldheden loslaten – al onze vooringenomen standpunten, opvattingen, ideeën enzovoort. Het mogelijke dient zich alleen aan als wij openstaan. Openstaan voor wat zich aandient, voor wat zich als mogelijkheid zou kunnen verwerkelijken. Vrijheid is dan ‘het kunnen laten gebeuren’. 

Daarmee zijn we op een punt gekomen dat diametraal ligt tegenover onze huidige manier van leven. Ons leven is grotendeels wat de filosoof Heidegger noemt ‘het opvorderen’ van de dingen en de mogelijkheden. Daar is een mooi actueel voorbeeld van: zelfs als we erkennen dat we als mensensoort wel erg overheersend zijn geworden en we daardoor leven in het antropoceen, een tijdperk waarin de mens door zijn optreden het klimaat en alle aardse leven uit balans brengt, dan nog is onze eerste reactie: daar moeten we snel iets aan doen, we moeten hoognodig ingrijpen! [2] Het tegenovergestelde dus van even tot rust komen, ons oor te luisteren leggen bij de aarde en openstaan voor … ja, voor wat? Voor het geheim van het opene. Het kan alleen maar zo getypeerd worden, als geheim of als leegte, als nog ongekende mogelijkheid, omdat elke invulling vooraf méér is van hetzelfde antropoceen. Een andere manier van leven dient zich alleen aan als er ruimte voor wordt vrijgemaakt.

Een spirituele dimensie
Op dit punt krijgt een nieuwe dimensie vorm in het betoog. Het begon met Aristoteles die benoemde hoe vorm en doel bepalend zijn voor een ontwikkeling. Het doeloorzakelijke perspectief. Daarna kwam bij Descartes het accent te liggen op de rationaliteit van oorzaak en gevolg. Sindsdien, zou je kunnen zeggen, is de wereld en alle leven materie die bewerkt kan worden. Dat is het werkoorzakelijke perspectief. Vervolgens kwam de binnenwereld aan de orde; we willen ons vrij voelen. Met Nietzsche kwamen het belang van spontaneïteit en innerlijke roerselen aan de orde. Dat is het existentiële perspectief.  Kierkegaard tenslotte opende een luik naar een geheel nieuwe dimensie. Die is hierboven getypeerd als ‘het kunnen laten gebeuren’.  Deze dimensie kun je het spirituele perspectief noemen omdat het onkenbare hierin een veel grotere rol speelt dan bij de overige perspectieven. Het is de leegte die vol potentie is. Denk bijvoorbeeld aan wat Lao Tse 2500 jaar geleden al schreef in de Tao Te Tsjing: “Maak gebeeldhouwde deuren en ramen, maar het nut van de kamer is zijn leegte.” En: “De grootste openbaring is de stilte.”
Gerard Visser maakt gewag van “bezielde leegte” en voegt daaraan toe: “Is vrijheid niet oorspronkelijk een zaak van de ziel?”

Dus…
Je bent vrij als je je in je element voelt, schrijft Gerard Visser. En dat kan gelden voor alles in het universum. Het is een mooie uitdrukking die op poëtische manier alle dimensies van vrijheid met elkaar verbindt. Het kind dat zich door een spel laat meevoeren – het elementaire daarvan, het stoffelijke, het mogelijke, het bezielde dat op een bepaalde manier al voorbeschikt is maar toch pas écht is als het ook gerealiseerd wordt. Dat wordt ook uitgedrukt in de ondertitel van zijn boekje “en ik werd die ik was gebleven”. Dat is een citaat uit het gedicht De soldaat en de zee van Martinus Nijhoff:
Geleidelijk bracht de brug
van het leven over het leven
mij naar mijn oorsprong terug
en ik werd die ik was gebleven.

Neurologen mogen dan kijken welke hersengebieden daarbij oplichten

[1]Uitg Sjibbolet, Amsterdam 2015, ISBN 978 94 9111 022 1

[2] Met dank aan filosoof André van Delft voor dit voorbeeld

Deel dit:

Leave a Reply