Waarom geven we een bedelaar niet alles wat wij hebben?

Een onderzoek naar rechtvaardigheid

leestijd: 15 minuten


Wat is rechtvaardig? De gemakkelijkste manier om te onderzoeken hoe rechtvaardig wij zelf zijn is om te kijken wat we met ons geld doen. Wat geven we een bedelaar – of beter gezegd, wat geven we allemaal niet?

De misjna, de mondeling doorgegeven wetgeving van de joden, geeft aan dat wij daar op vier manieren tegenaan kunnen kijken. Vier manieren die eigenlijk zeggen hoe wij samenleven. Het boekje waaraan ik deze wijsheid ontleen, “De kabbala van geld”[i], betoogt dat rechtvaardig is, wat de orde van de kosmos niet, of zo min mogelijk verstoort, en liefst deze nog verrijkt. Dat is even wennen. Meestal denken wij bij rechtvaardigheid aan dingen als ‘geven en nemen’, ‘ieder zijn deel’ en dergelijke regels die ons onderlinge gedrag reguleren. Maar de joodse nadruk op de wet is niet zozeer gericht op goed onderling gedrag, als wel op de orde van de hele schepping. Op ecologie, zou je kunnen zeggen: hoe alles wat leeft samenhangt en welke plaats wij mensen innemen in dat grote geheel. Sterker nog, hoe wij dat geheel met onze daden tot voltooiing brengen.

De schrijver van het boekje, de Zuid-Amerikaanse rabbijn Nilton Bonder, onderzoekt de verstoring of verrijking van de kosmische orde aan de hand van geld en de betekenis die wij daaraan toekennen. Dat is goed gekozen, want geld is een uiterst krachtig symbool. Het is méér dan een symbool, want geld vertegenwoordigt ook een reële waarde.
Die materiële kant van geld betreft de ruilwaarde. Geld was ooit een geweldige uitvinding die ervoor zorgde dat we in onze ruilhandel niet meer voortdurend met goederen op en neer hoefden te sjouwen. Eerst vertegenwoordigde het materiaal van de munt zelf nog enige waarde, maar nu kan dat niet langer gezegd worden van het metaal, papier of ongrijpbare electronische geld. Daarmee komt de andere kant van de munt naar voren, de ‘kop’. Tegenwoordig zijn dat lukrake plaatjes, maar ooit had de kop een (bijna) religieuze betekenis. De echo daarvan vinden we terug in de spreuk ‘In God we trust’ (op God vertrouwen we) op de Amerikaanse dollar, en ‘God zij met ons’ op de rand van Nederlandse euro. De Duitse versie van de euro heeft als randschrift ‘Einigkeit, Recht und Freiheit’ (eenheid, recht en vrijheid). Dit drukt uit dat geld bovenal een kwestie van vertrouwen is. Vertrouwen op een hogere macht (de keizer, God), maar ook in elkaar. Er staat op de dollar niet ‘I trust’ maar ‘we trust’, en het is niet ‘God met mij maar ‘met ons en de Duitsers benadrukken ‘eenheid’. De mensen die voor het eerst met muntgeld werkten hadden door dat elke waarde van een munt staat of valt met een gedeeld vertrouwen – of dat nu is in de keizer, God of de samenleving. [ii]

Hoe geld onze verhouding tot de ander bepaalt
De fascinatie die uitgaat van geld – ‘stel je voor dat ik een miljoen win …’ – lijkt te maken te hebben met de materiële waarde – ‘… dan kan ik alles kopen wat ik wil!’. Maar dat is slechts de buitenkant. De wensen en dromen die geld oproept hebben waarschijnlijk meer te maken met het idee dat je vrij zult zijn van zorgen, kan gaan en staan waar je wilt en – en dat is misschien wel het belangrijkste – vrij zult zijn van andermans bemoeienis. Je kunt onafhankelijk zijn. Geld bepaalt de sociale verhoudingen.

Geld, eigendom in het algemeen, en hoe wij ermee omgaan, weerspiegelt onze levenshouding en onze verhouding tot anderen. Welnu, als er sprake is van eigendom en van twee mensen, ik en de ander, dan zijn er vier mogelijke verhoudingen:

1 Alles van mij is van mij – alles van jou is óók van mij.
2 Alles van mij is van jou – alles van jou is van mij.
3 Alles van mij is van mij – alles van jou is van jou.
4 Alles van mij is van jou – alles van jou is ook van jou.

Op het eerste oog lijken die vier variaties extreem. We hebben de neiging om van ‘alles’ liever ‘een beetje’ te maken en ‘soms’. Maar voor ons inzicht in onze onderlinge verhoudingen is het van belang consequent te redeneren en niet in het begin alles al te vertroebelen met sussende woordjes.

Alles van mij is van mij – alles van jou is óók van mij
Van de vier mogelijke verhoudingen is deze misschien het meest extreem, althans het duidelijkst onrechtvaardig. Dit standpunt weerspiegelt de houding van een mens die zich dingen toeëigent, die bang is te kort te komen, de jaloerse mens en, in meest extreme vorm, de dief. In deze verhouding spelen angst en kwaadaardigheid de hoofdrol. Greed is good. Er zijn overigens wel omstandigheden waarbij we deze houding zullen vergoelijken; een peuter bijvoorbeeld die zich het centrum van de wereld waant, zullen we niet ‘onrechtvaardig’ noemen. Maar een kind moet nog groeien, zich nog bewust worden van zijn omgeving. Voor volwassenen geldt dat vrijwel niemand dit een te rechtvaardigen houding zal vinden.

Alles van mij is van jou – alles van jou is van mij
Bij dit standpunt zit er nog wel iets sympathieks in het besef dat we elkaar nodig hebben. Dat we alle bezit moeten delen. Mooie communistische idealen. Maar, zo waarschuwt de misjna, het is eigenlijk de overtuiging van een dwaas. Alles, maar dan ook letterlijk alles weggeven aan een bedelaar, maakt jezelf tot bedelaar. Daar schiet de kosmos niets mee op. Het zal ertoe leiden dat je vervolgens alles wat jij nodig hebt om te leven gaat halen bij een ander, en meent daar recht op te hebben ook. Immers, ‘alles van jou is van mij’. Het is duidelijk dat strijd over wat billijk is bij deze uitwisseling niet ver weg is. Dat wordt over en weer graaien en elkaar de kop inslaan.

Alles van mij is van mij – alles van jou is van jou
De derde verhouding lijkt dan een stuk redelijker. Ieder het zijne. Geen onderling getouwtrek. Maar in wezen betekent het ook isolement: je niet met elkaar bemoeien, iedereen moet zijn eigen zaken uitzoeken. Het is stilstand, stagnatie. Als er iets uitgewisseld moet worden – en vroeg of laat is dat onvermijdelijk – dan moet dat gebeuren door beprijzen en onderhandelen. De wereld is vanuit dit standpunt gezien vooral een markt waarop alles zijn prijs heeft. En zo onschuldig of vredig als dit ‘ieder voor zich’ oogt is het dan niet meer. Want in het onderhandelen over de prijs schuilt strijd – de slimste wint en niets schrijft hem voor dat die rekening zou moeten houden met minder gewiekste mensen. ‘Ieder voor zich’, immers.
Zo’n wereld is eigenlijk geen samenleving, maar een maatschap(pij) waar je buiten valt als je niets hebt om te ruilen of te verhandelen. Persoonlijk lief en leed doet er niet toe. Moet er iets verdeeld worden dan gebeurt dat zo onpersoonlijk mogelijk, door te loten bijvoorbeeld. Dat de één iets misschien beter kan gebruiken dan de ander, telt niet mee.
We kunnen in zo’n gemankeerde samenleving in hoge mate onze neo-liberale tijdgeest herkennen waarin individualisme en persoonlijke vrijheid centraal staan. Het schokkende is dat van de vier mogelijke verhoudingen deze het meest redelijk lijkt maar in wezen de meest beperkte is, de meest onrechtvaardige als het gaat om zorg voor het geheel. Of zoals Thathcher zei: “There is no such thing as society”. Daardoor is deze variant de meest ruïneuze voor een samenleving.

Rabbijn Bonder refereert hierbij aan de “door en door slechte gemeenschappen van Sodom en Gomorra”. Die bijbelse steden waren niet slecht omdat ze sexueel ontspoorden, zoals de interpretatie gewoonlijk luidt, maar omdat iedereen in die steden alleen voor zichzelf leefde, voor de eigen genoegens. Daardoor vernietigden ze uiteindelijk zichzelf. De misjna benadrukt dat we onszelf niet los kunnen zien van de gemeenschap, dat het leven zich afspeelt binnen relaties en binnen interacties met alles wat leeft, planten en dieren inbegrepen.
‘Ieder voor zich’ is een onwerkelijk standpunt, want het idee dat ik op mezelf besta klopt natuurlijk niet – zonder de vruchtbare aarde, schoon water en alles wat ik van mijn ouders en omgeving heb meegekregen, zou ik niets zijn. Leven we wel alleen voor onszelf, zonder oog voor de ecologie, dan zullen de gevolgen vernietigend zijn, zoals Sodom en Gomorra vernietigd zijn. Deze steden staan symbool voor een samenleving die eerst nauwelijks waarneembaar uit koers raakt en tenslotte zichzelf vernietigt.
In deze uitleg zien we hoe al of niet rechtvaardig gedrag samenhangt met de orde in de kosmos. Het geniale van deze orde is, dat onrechtvaardig gedrag dat een bedreiging vormt voor de kosmische orde, zichzelf vernietigt. Als wij onze leefomgeving verwoesten, zal de kosmos deze aanslag overleven, maar wij zelf niet. Zo kan zich de kosmische orde herstellen, en dat is de inherente rechtvaardigheid van deze orde. Als je dat in bijbelse termen Gods rechtvaardigheid noemt, wordt duidelijk dat deze weinig te maken heeft met een soort subjectief oordeel, maar eenvoudigweg uitdrukking is van de wetten die de orde in stand houden.

Alles van mij is van jou – alles van jou is ook van jou
Deze vierde mogelijke houding die wij kunnen innemen tot de ander en tot bezit lijkt net zo dwaas, zo niet nog dwazer dan de tweede. Immers, hierin is ook ‘alles van mij van jou’. In de tweede variant stond daar nog het omgekeerde tegenover. Als helemaal niets van jezelf is, zoals in deze vierde variant, en je voortdurend alles weggeeft zul je snel verhongeren. Dat, schrijft Bonder, zou al te dwaas zijn. Respect voor de kosmische orde, voor alles wat leeft, impliceert dat we ook respect hebben voor ons eigen leven. We moeten de verantwoordelijkheid op ons nemen om een goed leven te leiden. Wat de kern is van variant vier, is de nadruk op een volwassen verantwoordelijkheidsgevoel en bovenal op gastvrijheid – op het inzicht dat wij allen gasten zijn in deze wereld. Wij zijn gasten in een schepping die gul en onvoorwaardelijk is in al haar gaven. Zon en regen zorgen zonder aanzien des persoons voor vruchtbaarheid, en wij mensen, komen en gaan en kunnen niets claimen als voor altijd het onze. Deze variant drukt uit dat je deel kan hebben aan alle rijkdom van de schepping zonder vast te hoeven houden aan bezit (wat op zijn beurt jou zal vasthouden). Zoals de poëtische evangelist Mattheus verwoordde: “Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. (…) Wie van jullie kan door zich zorgen te maken ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen?”
Dit is de wereld van onvoorwaardelijke liefde, van de moeder die alles over heeft voor haar kind. Je geeft de ander wat die nodig heeft. Dit is de wereld van overvloed, want er is genoeg voor iedereen, als we maar willen delen. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd, gedeelde smart is halve smart. Dit is de wereld waarin je de ander gunt wat voor die ander van waarde en belang is. Niemand ‘bezit’ iets; bezit betekent alleen dat je tijdelijk de zorg voor iets hebt – je bezit de verantwoordelijkheid voor iets wat in wezen altijd gemeenschappelijk is.

Variant 1 is de wereld van kwaadaardigheid,
variant 2 van dwaasheid,
variant 3 van kortzichtigheid;
alleen variant 4 is rechtvaardig.

Maar om zo te leven is niet gemakkelijk, waarschuwt Bonder. Het is moeilijk om goed voor jezelf én de ander te zorgen. Het is moeilijk het juiste evenwicht te vinden dat de ecologie, de kosmische orde, recht doet en zo mogelijk verrijkt. Want hoeveel inzicht daarin hebben wij eigenlijk? Het is dwaas zomaar van alles weg te geven, in het wildeweg. Blinde liefdadigheid kan net zo sterk de kosmische orde verstoren als hebberigheid. Het is onmogelijk absolute voorschriften hiervoor te geven, want ons bestaan is altijd relatief, gerelateerd aan situaties en interacties. In alle gevallen moet je je goed rekenschap geven van de gevolgen van je daden. Dat gerechtigheid daardoor ingewikkeld is, is goed, concludeert Bonder, want dat stimuleert onze verantwoordelijkheid om ons voortdurend kritisch bewust te zijn van onze levenshouding.

Dus wat moeten we nu doen als we een bedelaar tegenkomen?

De types 1 zouden niet schromen van de bedelaar te stelen; misschien juist van zo iemand, want die is weerloos.
De types 2 willen wel wat geven maar alleen als er iets tegenover staat; de bedelaar moet een tegenprestatie leveren: muziek maken, de straatkrant verkopen, beloven voor het geld geen drank te kopen, werk zoeken enz.
De types 3 kijken de andere kant op – met die bedelaar hebben ze niets te maken.
De types 4 geven wat nodig is zonder dat de linkerhand weet wat de rechterhand doet.

Ongetwijfeld herkent iedereen wel iets van die vier types in zichzelf. Dat is het mooie van het leven en van bedelaars in het bijzonder: ze houden ons voortdurend een spiegel voor. Aan de hand van de vier standpunten over rechtvaardigheid kunnen wij op elk moment een ‘röntgenfoto’ maken van onszelf – hoe staan we in het leven?
Als God rond zou gaan in deze wereld, zou hij waarschijnlijk bedelaar zijn. Niet wij helpen bedelaars, het is andersom. Bij elke ontmoeting laten zij ons, meer dan wie dan ook, in de spiegel kijken. Ze helpen ons bij het leren kennen van onszelf. Meestal voelen wij ons ongemakkelijk bij die confrontatie. Zo kunnen wij ons er van bewust worden hoeveel stappen we nog verwijderd zijn van de onvoorwaardelijke liefde. Bedelaars dwingen ons om, al is het maar een seconde, erbij stil te staan in hoeverre wij iets geven om de samenleving, en wat ons motief is om niet alles te geven wat wij hebben.

© Tom Maas 10/2012

[i] Nilton Bonder: “De kabbala van geld” (uitg. Shambala 1996). Het boek is alleen nog tweedehands in het Engels verkrijgbaar. De kwaliteit van de Nederlandse vertaling (uitg. Elmar 1997) is dubieus. De tekst is ook lastig leesbaar vanwege de onorthodoxe ideeën van de schrijver en zijn beknopte, springerige schrijfstijl.

[ii] Zie ook het woordgebruik rond de bankencrisis en de eurocrisis. In 2008 werd de bankencrisis ook wel kredietcrisis genoemd, omdat vrijwel geen krediet (= vertrouwen!) verstrekt werd door banken. Vervolgens was er sprake van dat de ‘reële economie’ geraakt werd, wat suggereert dat er ook een niet-reële economie is. Die is er ook, namelijk van louter electronisch geld. De vraag is welke waarde deze cijfertjes op beeldschermen nog vertegenwoordigen. Zolang iedereen ervan uitgaat dat die waarde er is, is er geen probleem. Maar als iemand begint te roepen dat de keizer geen kleren aan heeft, is de boot aan. In de eurocrisis klonk het woord ‘vertrouwen’ volop. Als wij elkaar (of elkaars beleid) niet meer kunnen vertrouwen stort de euro in. En niet alleen de euro, de euro staat symbool voor de (europese) samenleving die dan in feite instort.

Deel dit:

Leave a Reply